Home Vrije tijd Tuin Bamboe

Bamboe

153

Een bamboeplant in de tuin geeft een tropisch effect. Pas echter wel op wat voor een bamboesoort je ergens uitplant. Er bestaan veel verschillende soorten bamboe. Sommigen, zoals de Pleioblastus distichus, worden niet hoger dan 50 cm. Anderen kunnen gemakkelijk 6-8 meter hoog worden. De hoogst groeiende bamboe, Dendrocalamus giganteus, kan wel 50 meter hoog groeien. Gelukkig is deze gigant een polvormer, anders zou zijn aanwezigheid in een tuin wel eens iets teveel van het goede kunnen zijn. Alhoewel deze bamboesoort lichte vorst verdraagt, is hij hier niet te krijgen.       

D

e verschillende bamboesoorten zijn onderverdeeld in twee groepen, de polvormende (pachymorf) en de lopende (leptomorf) bamboe. De polvormende bamboesoorten maken maar heel korte rizomen, waardoor ze zich maar heel erg langzaam uitbreiden. De bamboes van deze groep kan men redelijk veilig in een tuin planten. Soorten die makkelijk te verkrijgen zijn, zijn bijvoorbeeld Bambusa ventricosa en de Bambusa multiplex, die geschikt is voor heggen. In Nederland zie je vaker Fargesia soorten. Bekende lopende bamboes zijn bijvoorbeeld de Phyllostachys aurea en de Phyllostachys nigra. De enkele jaren terug populaire Lucky Bamboo is helemaal geen bamboe, maar een Dracaena soort.

Ondergrondse barrière
Om een bamboe onder controle te houden, kan je een ondergrondse barrière maken om de plek waar de bamboe mag groeien. Het makkelijkste is natuurlijk wanneer u dat doet voordat de bamboes in de grond geplant worden. De barrière, van bijvoorbeeld stevig plastic, moet op zijn minst 80cm diep zitten, alhoewel de meeste rizomen niet erg diep gaan, zeker niet als je een goede laag organisch materiaal of boomschors gebruikt. Het is een stuk makkelijker in zacht organisch materiaal te wortelen dan in de harde stenige kleigrond. Maak de plek voor de bamboe niet te klein, zeker de lopende bamboe heeft wel wat vierkante meters nodig om gelukkig te zijn. Misschien mag de bamboe de ene kant wel uitbreiden maar een andere kant niet. Maak dan alleen de barrière aan de kant waar hij zich niet te veel mag uitbreiden.

In een pot
Een andere manier om bamboes onder controle te houden is om ze in potten te houden. Kies hiervoor wel een voldoende grote pot, zeker bij een lopende bamboesoort die een pot sneller vult dan een polvormende bamboesoort. Hoe groter de pot, hoe voller de bamboeplant en ook hoe hoger hij kan worden (natuurlijk afhankelijk van de soort). Mocht de bamboeplant op een gegeven moment te wortelgebonden zijn, dan kan je hem verpotten of delen. Verpotten kan het hele jaar gedaan worden, maar delen wordt het best in de herfst of de winter gedaan.

Verzorging
Bamboes houden van water. In een pot hebben ze hier in de zomer echt elke dag een goede hoeveelheid water nodig. Ze houden er echter niet van om te diep in water te staan. Een bord met water onder de pot is oké, maar tot aan hun enkels in het water is te veel. In de grond zijn ze wat minder dorstig, sommige soorten zijn aardig droogteresistent. In het algemeen hebben de polvormende bamboes minder water nodig dan de lopende. Dit omdat ze dieper wortelen.
Vergeet niet om ze te voeden (gazonvoeding zonder onkruidvernietiger is prima) en af en toe de dode delen eruit te halen om de boel netjes te houden. Ze kunnen aardig wat bladeren laten vallen, dus zet zo een plant niet ergens waar je constant moet vegen. Mocht je in een brandgevaarlijk gebied wonen, zet ze dan niet te dicht bij het huis want ze branden makkelijk, zeker ook als er veel bladafval tussen de scheuten ligt.

Cana
Langs de riviertjes van Portugal zie je vaak een bamboeachtige plant groeien. De Portugezen noemen het ‘cana’. Hoewel het wel tot de grasfamilie behoort, is het niet een bamboe maar een reuzenriet ‘Arundo donax’. Deze plant kun je als bamboevervanger gebruiken en kan aardig droogteresistent zijn. Maar deze plant heeft dezelfde nadelen als een echte bamboe; het verspreidt zich en maakt aardig wat bladafval en is zeer brandbaar. Paarden en geiten vinden deze plant erg lekker.

 


Dit artikel verscheen in “Blik op Portugal 159”.